|
Als Genesis 1-3 geen geopenbaarde geschiedenis zou zijn ... Gods openbaring
over zijn eigen scheppingswerk is niet beperkt tot Genesis 1 en 2. Ze is op
veel plaatsen in de Schrift te vinden. We moeten dus de héle Schrift bestuderen
en Schrift met Schrift vergelijken om Gods openbaring te leren verstaan. Gods
Zoon, Jezus Christus, refereerde zo’n 25 keer aan de eerste helft van het boek
Genesis - de schrijvers van het Nieuwe Testament brengen 175 citaten of
verwijzingen. Zij behandelen, evenals de Here Jezus Zelf, het scheppingsbericht
als geopenbaarde geschiedenis, niet
als poëzie of allegorie, laat staan als een mythe. Evolutie (verticale ontwikkelings- en afstammingsleer)
als wereldbeschouwing is niet alleen een probleem in de biologie, maar ook bv. in
de theologie, psychologie, pedagogie, sociologie, medische ethiek,
geschiedeniswetenschap, taalwetenschap en politiek. Inleiding “In den beginne … God” (Gen 1:1). De drie-enige God alleen is pre-existent, vóór alles.
De Schrift zegt niet: ‘In den beginne
anorganische substanties’. Alleen één van beide kan pre-existent zijn: óf God
óf de materie. “In den beginne schiep God”: tijd én
materie, hemel en aarde, dier en mens. Al het geschapene heeft een bovennatuurlijke, geestelijke oorsprong,
maar is zelf niet metafysisch. Hoe kan het zogenaamde ‘theïstisch-evolutionisme’
dit geopenbaarde bijbelse wereldbeeld combineren met de
naturalistisch-materialistische wereldbeschouwing van de evolutieleer? In den beginne schiep God, de almachtige, door zijn Woord: “En God sprak (zei)
... ” (Gen 1:3 e.v., zes keer). “Hij sprak en het was er, Hij gebood en het
stond er” - onmiddellijk, compleet en perfect. De Schrift openbaart dat alles door
het gezaghebbende Woord van de almachtige God spontaan is ontstaan - niet via natuurlijke, evolutionaire processen
gedurende miljarden jaren. Dus óf het ene óf het andere is waar. Er kan geen
waarheidspluralisme zijn. “In den beginne was het Woord en het Woord
was bij God en het Woord was God ...
Alle dingen zijn door het Woord geworden en
zonder dit (Woord) is geen ding geworden ... Het Woord is vlees (mens) geworden” (Joh 1:1-3,10,14). Jezus
Christus is zowel “het Woord bij God” als “God”, ja “het Woord Gods” Zelve (Op
19:13). God heeft door Zijn Zoon alles geschapen, inclusief het leven en de mens.
De verheerlijkte Jezus Christus zegt van Zichzelf: “Dat zegt de Amen, de trouwe
en waarachtige getuige, “het begin[1] van de schepping Gods”
(Op 3:14). De Here zegt niet dat materie (oerknal, een oersoep
of iets dergelijks) het begin is. “Want uit
Hem en door hem en tot Hem zijn alle dingen”. Als men deze
geopenbaarde waarheid niet aanneemt, hoe kan men er dan met de apostel aan
toevoegen: “Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”?[2] Het Nieuwe Testament bericht
over het gezag van het gesproken Woord van Jezus Christus, waarmee Hij leerde en zonden
vergaf, zieken genas, de gestorven Lazarus levend uit zijn graf deed opstaan,
en zowel demonen als de natuur zijn bevelen kon opleggen. Op grond van geloof
in Jezus Christus en in het gezag van zijn Woord zei de hoofdman in Kapernaüm
in verband met zijn doodzieke knecht tot Hem: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal genezen” (Lc 7:7). Dat
Woord is genoeg. Bovendien heeft de Here in het gezag van het geschreven Woord van God de intensieve verzoekingen van de
listige duivel in de woestijn kunnen weerstaan (Dt 8:3; 6:16; 6:13 en 10:20). Wanneer
zich hierbij de waarheid en goddelijke volmacht van Gods geschreven Woord in
het vijfde boek van de door God
geroepen profeet Mozes openbaart, waarom dan tornen aan de waarheid van Gods geschreven
Woord en van Gods almacht in eerste boek
van dezelfde profeet (Genesis)? Zou de Here in dit opzicht ook ons moeten
verwijten: “U dwaalt, want u kent de Schriften niet, noch de kracht Gods” (Mt 22,29)? Wanneer de Here “met een bevel” uit de hemel neerdaalt, zullen ontelbare christenen
die in Christus gestorven zijn, uit de doden opstaan en met de dan levenden “in een ontelbaar ogenblik veranderd
worden” en een onsterfelijk lichaam ontvangen (1Tes 4:15-17; 1Kor 15:52). Hij,
de Almachtige, heeft daar geen miljoenen, laat staan miljarden jaren voor
nodig, zelfs niet zes dagen! Waarom is in het licht van deze feiten aangaande
Christus’ gezaghebbend Woord het geopenbaarde bericht van het gezaghebbende
Woord van dezelfde Here, waarmee Hij alles geschapen heeft dan discutabel (Joh
1:1-3; Ps 33:6,9)? In den beginne
schiep God alles uit het niets (ex
nihilo): “ ... dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het
zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (Heb 11:3). “Door het geloof”
in de almachtige God en in zijn openbaring “verstaan
wij”. Op Gods Woordopenbaring gegrond geloof betekent nooit uitschakeling
van het door God gegeven verstand. Openbaringskennis gaat boven het menselijke
verstand uit, maar niet tegen het verstand in. De mens is niet alwetend, maar als schepsel
en dood de zondige natuur beperkt. De natuurwetenschap is dan gebaseerd op het waarneembare en meetbare en op het herhaalbare van het experiment. Gods
Woord dat de schepping uit het niets deed ontstaan, is uiteraard noch
waarneembaar noch door experimenten herhaalbaar. Een (theïstische-)evolutionist
kan Gods openbaring over zijn schepping (Gen 1-2; Ps 33:9 en Joh 1:1-3,10a) per
definitie nooit wetenschappelijk weerleggen - een Bijbelgetrouwe creationist
kan haar niet wetenschappelijk bewijzen. Maar “het geloof” in God, de
almachtige, en aan zijn Openbaring “ ... is een bewijs van de dingen die men
niet ziet” (Heb 11:1). Als Genesis 1-3 geen geopenbaarde, historische
waarheid zou zijn ... I Jezus
Christus - nog geloofwaardig? * Jezus Christus getuigt van Zichzelf dat Hij
de Waarheid is en de Waarheid spreekt (Joh 14:6; 8:45-46; 18:37). De Here zei dat
de levende God “leven in Zichzelf
heeft” en “leven geeft”, evenals
Hijzelf (Joh 5:26). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zegt
de Here dan niet dat (ook) materie
leven in zichzelf heeft en ook niet
dat de dood leven voortbracht? * Jezus Christus getuigt, dat Hij niet uit
Zichzelf spreekt: “Wat Ik dan spreek, spreek ik zó als de Vader Mij gezegd
heeft (Joh 12:49-50). Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn, waarom zou
de Zoon dan in opdracht van en over de Vader ten aanzien van de mens zeggen dat
“de Schepper van het begin der schepping
hen als man en vrouw gemaakt heeft” (Mc 10:5; Mt 19:4)? Daarmee bevestigt
de Here toch dat het bericht over de oorsprong van de mens (Gen 1-2) Gods
openbaring is en niet een of andere ‘ervaringskennis van mensen uit de vierde
of vijfde eeuw’ (vóór Chr.), zoals iemand dacht. Omdat Jezus Christus, de Zoon, door de
Vader gezónden was, de woorden van de Vader ontving en doorgaf, sprak Hij “de woorden Gods” (Joh 3:34). Daarom kon
de Here zeggen: “Het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de jongste
dag” (Joh 12:48). Slaat dat niet ook op zijn Woord over God als Schepper van de
mens, compleet als man en vrouw en van het begin van de schepping? Valt dan
niet ook de idee dat de mens van dieren (apen) afstamt onder het oordeel van
het Woord? * “Van
den beginne was de duivel een mensenmoordenaar ... hij is een
leugenaar en de vader van de leugen”, zei de Here (Joh 8:44). Als het bedrog van de duivel voor
de zondeval van de eerste mens, Adam, geen historisch feit zou zijn, maar een of andere ‘theologische reflectie’, hoe kon de
Here dan indirect naar Genesis 3 heen wijzen en het bericht bevestigen? * De Here Jezus Christus, die de Waarheid is,
zegt: “Die Mij gezonden heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat
spreek Ik tot de wereld” (Joh 8:26,28). Sprak de Here dan niet ook de waarheid
die Hij van de Vader “gehoord” had, toen Hij de tijd voor Zijn wederkomst op
aarde vergeleek met die voor de zondvloed
ten tijde van Noach (Mt 24:36-39; ook 2Pe 3:6)? Daarmee bevestigde toch
Gods Zoon, dat Noach een historische figuur is en de zondvloed geen mythe. II Gods Woord -
nog betrouwbaar? * Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou
zijn, waarom zegt Jezus Christus dan in zijn gebed tot God de Vader: “Uw Woord is de Waarheid”, zonder enige
uitzondering daarop te maken (Joh 17:17)? Waarom zegt de Here niet: Uw Woord is de Waarheid behalve over de schepping, de oorsprong
van het leven en van de mens, de zondeval van de eerste mens en de oorsprong
van de dood als Gods oordeel, evenals over de zondvloed? * Als Genesis 1-3 geen historisch feit zou zijn,
hoe kon de apostel Paulus in Klein Azië de mensen die hem en Barnabas als goden
wilden vereren, “verkondigen” dat ze zich van hun afgoderij moesten “bekeren
tot de levende God, die hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is, gemaakt[3] heeft” (Hnd
14:15-17)? Hoe kan men vanuit een theïstisch-evolutionisme oproepen tot
bekering tot de Schépper, Wetgever en Rechter zoals Hij zich in Genesis 1-3
heeft geopenbaard (Jak 4:12)? * Als God niet de Schepper van de complete,
eerste mens Adam zou zijn, hoe kon de apostel Paulus Gods Woordopenbaring
citeren: “De eerste mens is uit de
aarde” (Gen 2:7; 1Kor 15:47)? Als Adam “de éérste mens” was, hoe kunnen er dan
mensen vóór Adam hebben bestaan? Paulus kon de openbaring van de Schrift
citeren, dat God “uit één enkele het
hele menselijke geslacht gemaakt heeft”, waarbij hij niet bedoelde ‘uit één
enkele aap het hele menselijke geslacht liet ontwikkelen’, gezien de context
(Hnd 17:26)? Als theoloog, die bewust “alles
geloofde wat in de wet (inclusief Gen 1:1-3!) en in de profeten geschreven
staat”, kon hij immers moeilijk verkondigen, dat het menselijke geslacht zich
‘langzaam via evolutie uit dieren hoger ontwikkeld’ had (Hnd 24:14). De apostel Paulus schrijft ter argumentatie:
“Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva” (1Tim 2:13; Gen 2:7,21-23). Hoe kon
hij dat weten en zeggen anders dan op grond van Gods openbaring in Genesis 2,
die hij serieus nam? Paulus, één van de grondleggers van het leerfundament van
de Gemeente van Christus, spreekt over Adam en Eva als over historische
personen - niet omdat hij ‘niet beter
wist’ of ‘misleid’ was. * De apostel Paulus verkondigde in Athene God
als de Schepper, die “zelf aan allen leven en levensadem en
alles geeft”. Als Genesis 2:7 geen
historisch feit zou zijn, hoe zou Paulus het gewaagd hebben deze geopenbaarde
waarheid de Griekse filosofen, wetenschappers en anderen in Athene te
verkondigen? Bovendien had hij als fundament de eerste profetie over de “knecht
des Heren” (Jezus Christus), waarin God zich als Schepper presenteert en zegt:
“... die aan de mensen ... de levensadem en de geest geeft” (Hnd 17:24-25; Jes
42:5-7; Ps 104,30a). * De arts en geschiedschrijver Lucas
vermeldt in zijn geslachtsregister Adam
als historische persoon en als vader
van Set - precies zoals hij Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Sem, Noach en
Henoch enz. als historische personen weergeeft (Lc 3:23-30). Wanneer
theïstische-evolutie al deze in Lucas 3 genoemde mensen als historische personen
erkent, waarom dan de selectieve uitsluiting van Adam als eerste historische
persoon, zoals beschreven in Genesis 1-3? Judas,
halfbroer van Jezus als mensenzoon, citeert “Henoch, de zevende van Adam af” in verband met diens profetie over
de wederkomst van de Here “met zijn heilige tienduizenden om alle goddeloosheid
te straffen” (14). Hij neemt daarbij de waarheid van Gods Woordopenbaring aan,
dat niet alleen Henoch, maar ook Adam een historische figuur is. Johannes knoopt aan bij Jezus’ woord over de duivel en bij Gen
3: “De duivel zondigt van den beginne” (1Joh 3:8; Joh 8:44). Paulus vergelijkt de misleiding van Eva, de vrouw van de
eerste Adam, door de listige slang met de misleiding van de Gemeente van Christus,
de hemelse Bruid van de tweede Adam door dezelfde
listige slang (2Kor 11:2-4; Gen 3). Petrus karakteriseert in de zin van
Christus de duivel als de tegenstander die rondgaat als een brullende leeuw,
zoekende wie hij zal verslinden (1Pe 5:8).
Dat betekent dat deze drie apostelen de
duivel en zijn listige misleiding en bedrog “vanaf het begin”(in het paradijs) als
geopenbaarde historie erkennen en Christus’ woord serieus nemen (Joh 8:44). Hoe
kan men de (huidige) listige misleiding van de Gemeente van Christus ten
diepste verstaan, wanneer men Genesis 1-3 niet letterlijk neemt? * Als God niet de Schepper, Wetgever en Rechter
vanaf de éérste mens zou zijn (Jak 4:12), hoe kon Adam Gods gebod in het
paradijs overtreden en aan zijn Schepper
ongehoorzaam worden, waardoor de zonde in de wereld binnenkwam, die dus zonde
tegen God zijn Schepper was en is (Rom 5:12-18)? Hoe kon Paulus weten en zeggen
dat Eva “misleid” en Adam “ongehoorzaam” geweest was, anders dan door Gods
openbaring in Genesis 3, die hij serieus nam (1Tim 2:14; Gen 3:1-6,13)? * Wanneer de Schrift zegt dat het God Zelf is die “de schepping aan de vergankelijkheid
onderworpen heeft” ten gevolge van de ongehoorzaamheid van de eerste mens
Adam tegenover zijn Schepper (Rom 8:20-22), hoe kan dezelfde God tegelijk een
‘macro-evolutie[4] van vooruitgang’ op gang
gebracht hebben en nog steeds stimuleren? Hoe zijn de zichtbare neergang en “de
wet van verval” te verenigen met een ‘steeds hogere ontwikkeling van soort tot
soort’ door een evolutieproces? * De
apostel Petrus schrijft dat het mensen: “willens en wetens ontgaat, dat door het Woord van God de hemelen er
sinds lang geweest zijn en de aarde, die uit en door water bestaat, waardoor de
toenmalige wereld, door water overstroomd, is vergaan ... Maar de tegenwoordige
hemelen en aarde worden door hetzelfde
Woord ... ten vure bewaard tegen
de dag van het oordeel en de ondergang van de goddeloze mensen” (2Pe 3:5-7).
Wat is daarin anders geopenbaarde waarheid dan allebei? III Gods openbaring over de oorzaak van de dood - betrouwbaar? Als God niet Schepper,
Wetgever en Rechter vanaf de eerste mens zou zijn, hoe kon God Adams
ongehoorzaamheid veroordelen met de dood
- waardoor het hele nageslacht van Adam eenmaal moet sterven - als hij (‘zoals wij’)
het gedrag ‘van de dierlijke voorouders geërfd’ zou hebben (Gen 2:16-17; 3:1-11;
Heb 9:27)? * Wanneer
de Schrift, zegt dat “de zonde de
prikkel van de dood is”, hoe kan
dan de dood ‘de prikkel van een evolutieproces van steeds hogere levensvormen’
geweest zijn al vóór de ongehoorzaamheid van de eerste mens tegenover zijn Schepper
(1Kor 15:56)? De Schrift openbaart wel dat “de dood als koning geheerst heeft vanaf
Adam ... ” - maar niet vanaf het begin
van een evolutieproces (Rom 5:14). De waarheid is en blijft: “Want de dood is
er door een méns ... zij sterven allen in
Adam” (1Kor 15:21,22). * Wanneer
de Schrift, die de Waarheid is, zegt dat de
dood Gods oordeel over de ongehoorzaamheid
van de eerste mens Adam is, hoe kan
dan de dood ‘Gods instrument van macro-evolutie’ zijn (geweest)? Wanneer de
dood “de laatste vijand is die
vernietigd[5] zal worden
(1Kor 15:24), hoe kan de dood dan bij wijze van spreken ‘de eerste vriend’
zijn, immers van begin af aan onmisbaar voor ‘hogere ontwikkeling van de ene
soort naar een andere’? IV De onafscheidelijke
Bijbelse “Adam – Christus” samenhang - ongeloofwaardig? * De apostel Paulus schrijft: “Maar toen de
volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn
Zoon uitgezonden, geboren uit een
vrouw ...” (Gal 4:4). Hoe had hij daarin de vervulling van Gods belofte na
de zondeval van Adam en Eva in het paradijs tegenover hun Schepper (Gen 3:15)
kunnen herkennen, wanneer Genesis 1-3 geen geopenbaarde geschiedenis zou zijn? * Als God niet de Schepper van Adam, “de eerste mens” is, hoe kan dan de Schrift
spreken van Jezus Christus als “de tweede
mens” (1Kor 15:47)? Zonder “eerste mens” geen “tweede mens”. Is de eerste
Adam geen historische figuur, maar een mythologische, hoe moeten we dan Jezus
Christus, de tweede mens, verstaan? * Als voor
de ongehoorzaamheid van de eerste mens Adam tegenover zijn Schepper al mensen
geleefd zouden hebben en gestorven zouden zijn, hoe kan dan de Schrift “de gehoorzaamheid van de ene (Jezus Christus) ten aanzien van Gods wet tegenoverstellen aan “de ongehoorzaamheid van de éne” (Adam)
tegenover Gods gebod (Rom 5:15-19; Fil 2:8)? “Zoals in Adam alle sterven, zo zullen
ook in Christus allen levend gemaakt
worden”[6] (1Kor
15:21-22). * Als de dood niet het
oordeel van God de Schepper over de ongehoorzaamheid van de eerste mens is,
maar ‘Gods instrument van macro-evolutie’, hoe kon God dan zijn Zoon na diens
plaatsvervangende dood aan het kruis uit de doden opwekken (1Kor 15:1-5)? En hoe kon Jezus Christus “de dood te niet doen” (2Tim 1:10, zie
voetnoot 2), de dood overwinnen en
ons door zijn zondoffer aan het kruis hebben “vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de wet van de dood”, als
de dood juist cruciaal voor ‘verticale evolutie in hogere levensvormen’ is
(1Kor 15:54-57; Rom 8:3; 2Tim 1:10)? Wanneer Jezus Christus alles geschapen
heeft, hoe zou dan Hij, die het Leven is, Leven geeft en “de sleutel van de
dood heeft”, zelfs na Golgotha en
Pasen ‘door de dood macro-evolutie’ kunnen aandrijven (Op 1:7)? Wat betekent
tegen de achtergrond van een ‘theïstische evolutie’ Zijn getuigenis: “Ik ben de opstanding en het leven; ...
Wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh 11:25-26; ook 5:21)? Waar
blijft de dood als voorwaarde voor verticale ‘hogere ontwikkeling’? * Als God niet de Schepper is, waarom heeft Hij
dan aan zijn verlost volk Israël het
sabbatgebod gegeven met als argument:
“Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de
zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; dáárom zegende de
Here de sabbatdag en heiligde die” (Ex 20:8-11; 31:17)? Aan het eind van de intensieve
werkweek moest het volk toch gedenken, dat
Israëls Verlosser niemand minder dan
de Schepper Zelf is (20:1,11)! De apostel Paulus schrijft dat
het Jezus Christus is, door wie God alles
geschapen heeft: “Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kol 1:15-16).
Is dat alleen de ‘visie van Paulus op de schepping’ respectievelijk ‘zijn
standpunt’ dat hij aan de gelovigen ‘wilde opleggen’? Of geloven we nog in Gods
openbaring aan de apostelen en profeten
die in Zijn opdracht het leerfundament van de Gemeente moesten leggen (Ef 2:20;
Gal 1:12)? Bovendien introduceert de verheerlijkte
Verlosser, de Here Jezus Christus, Zichzelf aan de gemeente in Laodicea: “Dit zegt de Amen, de getrouwe en
waarachtige getuige, het begin
(oorsprong, oorzaak) van de schepping Gods” (Op 3:14). Jezus
Christus, de Schepper, is de Verlosser door wie wij kinderen van God worden - de
Verlosser is de Schepper! Johannes 1:12
is niet te scheiden van 1:1-3,10! Schepper en Verlosser zijn één! Waar zegt de Schrift, dat de mens deze
Godgegeven onafscheidelijke eenheid van Schepper en Verlosser mag scheiden en
dan een keuze tussen beide kan maken? Hoe kan een christen zeggen dat hij in
Jezus Christus als zijn goddelijke Verlosser gelooft, maar tegelijkertijd zeggen
dat hij, zich baserend op wetenschappelijke kennis (die echter berust op een naturalistisch-mechanistisch
geloof), Hem niet kan (en wil) accepteren als de goddelijke Schepper
die door het Woord, door Zichzelf alles geschapen heeft (Ps
33:6,9; Joh 1:1-3)? Hoe ziet de Schrift een dergelijke keuze (Spr 30:5-6; Jr
8:9; 1Kor 2:19-21)? * De apostel Paulus maakt bekend: “Zo is dan
wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is
voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. Dit alles is uit God” (2Kor 5:17).
De “nieuwe mens” in de gelovige is “naar
het beeld van zijn Schepper” (Kol 3:10). Als de volmaakte schepping van de
eerste mens, Adam, “naar Gods beeld” (Gen 1:26; 2:27; 5:1-2) geen geopenbaard
feit is, is dan ook de “nieuwe schepping in Christus”, de “nieuwe mens, die
naar God geschapen is” dan ook geen Bijbels feit (Ef 4:24)? V De Openbaring
van het wezen van God en van Gods Zoon staat op het spel God openbaarde zich aan zijn
knecht Mozes - nota bene na de afgoderij met het gouden kalf van het volk
Israël onder Aäron – in de eerste plaats als de barmhartige, genadige,
lankmoedige, groot van goedertierenheid, de zonde vergevend, en daarna als de
heilige en rechtvaardige die de schuldige niet onschuldig houdt en als straf
tuchtigt (Ex 34:5-7). Jezus Christus getuigde: “Ik en de Vader
zijn één” en “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh 10:30; 14:9). De
Here zei van Zichzelf: “Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:28-30). De Schrift zei al profetisch
over Hem: “Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond
niet open; als een lam dat ter slachting
geleid wordt en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders ...” (Jes
53:7; ook 1Pe 2:22-23). De apostel Paulus, die geleerd had om juist
in zwakheden te roemen, opdat de kracht van de opgestane Christus in hem en
door hem openbaar zou worden, zei over de Here: “Hij is gekruisigd uit zwakheid
...” (2Kor 13:4). Door zwakheid tot kracht, door kruis naar de kroon, door
lijden tot heerlijkheid. Hoe is de idee van overleving van de sterkste op grond
van een ‘natuurlijke selectie’ door een egoïstische, meedogenloze ‘strijd om
het bestaan’ met eliminatie van de minst aangepaste, zwakke ooit te verenigen
met het karakter en de gezindheid van het Lam Gods, die onze Verlosser en Schepper
is? De seculiere Professor David Hull
schreef in het tijdschrift Nature: “Het
evolutionaire proces is vol toeval, onzekerheid, onvoorstelbare verkwisting,
dood, leed en wreedheden. God (de God van de theïstische evolutie) is niet een
liefdevolle God die zich om zijn schepselen bekommert. Hij is onverschillig, verkwistend,
bijna diabolisch. Hij is vast en zeker niet die God, tot wie ook maar iemand
zou willen bidden”.[7] Het is de oude apostel
Johannes gegeven om in een visioen de eeuwige God op Zijn troon te zien. De 24
oudsten werpen zich voor Hem neer om Hem te aanbidden, zeggende: “Gij, onze God, zijt waardig te
ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht, want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was
het en werd het geschapen” (Op
4:9-11). God geve dat wij in dit leven
op aarde Hem als Schepper en Verlosser in Christus erkennen, liefhebben en
dienen met ons hele hart, met onze hele wil en met ons hele verstand. Els
Nannen Zie ook Studiengemeinschaft Wort und Wissen: www.wort-und-wissen.de (e-mail:
sg@wort-und-wissen.de) [1] Grieks: archè:
begin, oorsprong, oorzaak [2] Rom 11:36; 1Kor 8:6; Kol 1:15-17; Heb 1:1-2,10; 2Pe 3:5; Ps 24:1-2 [3] Grieks: poieoo:
maken, tot stand brengen, scheppen [4] ‘Macro-evolutie’ is het geloof dat de ene soort uit de
andere soort voortkomt. Zgn. ‘micro-evolutie’ wil uitdrukken dat binnen de soorten verandering en ontwikkeling kan plaatsvinden
en plaatsvindt. Het is verwarrend dat sprekers en schrijvers het vaak over
‘evolutie’ hebben, zonder duidelijk te vermelden wat ze daarmee
bedoelen, ook als ze creationisten, die ‘macro-evolutie’ ontkennen, bestrijden.
[5] Grieks: katargeoo:
buiten werking stellen, doen ophouden, afschaffen, verwijderen, te niet doen. Niet ‘onttronen’. [6] Alan Morrison: No Adam – No Christ. What Happens when we deny
that Genesis 1-3 is History? www.diakrisis.org
, [7] D.J. |