We zijn
er allen zo aan gewend geraakt de trotse, eigengerechtige houding van de
Farizeeër in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lucas 19:9‑14)
te veroordelen, dat we nauwelijks meer kunnen geloven, dat het beeld dat hier
van hem wordt gegeven, bedoeld is om op onszelf toe te passen en ons te doen
zien hoe zeer wij in werkelijkheid op hem gelijken. Nooit heeft een zekere
zondagsschoolonderwijzeres meer op de Farizeeër geleken dan toen zij haar les
over deze gelijkenis besloot met de woorden: “En nu kunnen we God danken,
kinderen, dat we niet zo zijn als deze Farizeeër!” We lopen vooral gevaar deze
Farizeese houding aan te nemen, wanneer God ons wil vernederen bij het kruis
van Jezus en ons de zonden in ons hart wil laten zien, die onze persoonlijke
opwekking belemmeren.
We
zullen niet begrijpen wat er werkelijk verkeerd was in de houding van de
Farizeeër en van onszelf, tenzij we het zien tegen de achtergrond van hetgeen
God zegt van het menselijk hart. Jezus Christus zegt: “Want van binnen uit het
hart der mensen komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord,
echtbreuk, hebzucht boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering,
overmoed, onverstand” (Marcus 7:21‑23). Hetzelfde sombere beeld van het
menselijk hart wordt ons gegeven in de brief van Paulus aan Galaten: “De werken
van het vlees zijn openbaar, namelijk: hoererij, onreinheid, losbandigheid,
afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarsting van toorn, gekijf,
tweedracht, partijschappen, nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en
dergelijke” (Gal. 5:19‑21).
Welk
een beeld! Jeremia voegt hetzelfde getuigenis eraan toe: “Arglistig is het hart
boven alles (dat wil zeggen: het bedriegt de mens zelf, zodat hij zichzelf niet
kent), wie zal het kennen?” (Jer. 17:9). Dit is dan Gods beeld van het
menselijk hart, het gevallen ik, “de oude mens” (Ef. 4:22), zoals de Schrift
het noemt, hetzij er sprake is van het hart van de mens in onbekeerde staat of
dat van de vurigste Christen.
Het is
moeilijk te geloven, dat deze dingen voort kunnen komen uit het hart van
dienaars des woords, evangelisten en werkers in Gods koninkrijk, maar het is
waar. De eenvoudige waarheid is, dat Jezus Christus het enige mooie is dat een
christen bezit. God wil, dat wij dit feit ook als waar beleven, zodat we in
ware verbrokenheid en wanhoop aan onszelf de Heer Jezus zullen toestaan onze
gerechtigheid en heiligheid en ons alles te zijn. En dat is overwinning.
Nu we
hebben gezien hoe God het hart des mensen beschrijft, kunnen we zien, wat de
Farizeeër eigenlijk deed. Door te zeggen: “O God, ik dank U, dat ik niet zo ben
als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers”, betuigde hij
onschuldig te zijn aan juist die dingen, waarvan God zegt, dat ze in elk hart
aanwezig zijn. In feite zei hij: “Van andere mensen zijn deze dingen ongetwijfeld
waar - deze tollenaar belijdt het hier zelfs ‑ maar niet van mij, Heer!”
Door zo
te spreken maakte hij God tot een leugenaar, want “indien wij zeggen, dat wij
niet gezondigd hebben, maken we Hem tot een leugenaar” (1 Joh. 1:10), omdat Hij
zegt, dat wij wèl gezondigd hebben!
Toch
ben ik er zeker van, dat hij volkomen oprecht was in wat hij zei. Hij geloofde
inderdaad, dat hij onschuldig was aan deze dingen. Ja, hij schrijft zijn
ingebeelde onschuld aan God toe, wanneer hij zegt: “Ik dank U . . . “. Toch
getuigde Gods woord nog tegen hem, maar hij zag het nu eenmaal niet in.
Wanneer
de tollenaar zich op de borst slaat en zijn zonden belijdt, is dat niet omdat
hij erger heeft gezondigd dan de Farizeeër, maar alleen omdat hij gezien heeft,
dat hetgeen Gods woord zegt pijnlijk van toepassing is op hem, hetgeen de
Farizeeër nog niet heeft ingezien.
De
Farizeeër denkt nog steeds, dat God slechts verlangt dat men zich uitwendig van
bepaalde zonden onthoudt. Hij heeft nog niet begrepen, dat God niet aanziet wat
voor ogen is, maar het hart (1 Sam. 16:7), dat God de begerige blik gelijk
stelt met overspel (Matth. 5:27‑28), een houding van wrok en haat als
moord (1 Joh. 3:15), jaloersheid als werkelijke diefstal en tirannie in het
klein, thuis, even slecht als afzetterijen in de handel.
Hoe
dikwijls hebben ook wij niet onze onschuld betuigd bij de vele gelegenheden,
dat God anderen van zonde overtuigde en Hij ons ook wilde overtuigen.
Eigenlijk hebben we gezegd: ,.Dat kan wel waar zijn van anderen, maar niet van
mij”! en we kunnen dat in volkomen oprechtheid gezegd hebben.
Misschien
hebben we gehoord van anderen, die zichzelf vernederd hebben en ze dan geminacht,
omdat zij openlijk uitkwamen voor die dingen in hun leven, waarmee ze moesten
breken en die ze in orde moesten maken. Of misschien zijn we wel echt blij
geweest omdat zij werden gezegend. Maar hoe het ook zij, we gevoelen niet, dat
er iets is bij onszelf dat verbroken moet worden.
Geliefden,
indien wij ons onschuldig voelen en niets hebben waarover wij verbroken,
moeten worden, dan komt dat niet omdat die dingen niet aanwezig zijn, maar
omdat we ze niet gezien hebben. We hebben ten opzichte van onszelf in het rijk
der verbeelding geleefd. God kan niet anders dan waar zijn in alles wat Hij van
ons zegt. Hij ziet deze dingen op een of andere wijze in ons leven tot uitdrukking
komen (tenzij wij ze beleden hebben en ze door God hebben laten wegnemen) ‑
onbewuste zelfzucht, hoogmoed en ingenomenheid met onszelf; jaloersheid, wrok
en ongeduld; terughoudendheid, vrees en verlegenheid; oneerlijkheid en bedrog;
onreinheid en boze begeerte; indien niet het ene dan het andere. Maar wij zijn
er blind voor. Misschien houden we ons zo bezig met het verkeerde, ‑dat
een ander ons aangedaan heeft, dat we niet inzien, dat ook wij tegen Christus
zondigen, doordat we het niet, zoals Hij deed, in zachtmoedigheid en
nederigheid aanvaarden.
Op de een of ander wijze niet in gemeenschap met God
Doordat
we zo duidelijk zien, dat de ander zijn eigen wijze van doen en zijn rechten
wenst te handhaven, zijn we blind voor het feit, dat wij dat evengoed wensen;
en toch weten we, dat er in ons leven iets niet in orde is. Op de een of andere
wijze zijn we niet in levende gemeenschap met God. We zijn geestelijk niet
,,fit”. Ons dienen is niet “doortrokken van het bovennatuurlijke”. Onbewuste
zonde is evenzeer zonde voor God en brengt scheiding tussen Hem en ons. De
zonde, waar het om gaat, kan wellicht iets heel gerings zijn, dat God ons graag
wil laten zien, als wij het Hem maar willen vragen.
Vaak ook van hen die wij liefhebben
Er is
nog een dwaling, waarin we kunnen vervallen, indien we de waarheid niet
erkennen van wat God zegt over het menselijk hart. Niet alleen betuigen we dan
onze eigen onschuld, maar ook vaak die van hen die wij liefhebben. We hebben er
een hekel aan te zien dat ze zich vernederen en overtuigd zijn van de zonde en
zijn er dan spoedig bij om hen te verdedigen. We wensen niet, dat zij iets
belijden. Zo leven wij niet alleen in een sfeer van zinsbedrog ten opzichte van
onszelf, maar ook ten opzichte van hen en we zijn bang dat die sfeer zal worden
bedorven. Maar we doen daarmee niets anders dan hen tegenover God verdedigen ‑
waarbij wij God tot een leugenaar maken zowel van onze als van hun kant ‑
en we houden hen zowel als onszelf ervan terug een zegen te ontvangen.
Tot God roepen om Zijn licht
Alleen
een ernstig verlangen naar ware gemeenschap met God zal ons gewillig maken tot
God te roepen om Zijn Licht, dat alles openbaar maakt, en om het dan ook te
gehoorzamen, als het geschonken wordt.
Dat
brengt ons bij de tollenaar! Wanneer we alles wat God zegt over het menselijk
hart, in gedachten houden, kunnen we zien, dat hij door zijn zonden te belijden
alleen maar God rechtvaardigde en erkende, dat wat God van hem zei, waar was.
Misschien
placht hij evenals de Farizeeër, niet te geloven, dat wat God over de mens zegt
ook werkelijk waar was van hem. Maar de Heilige Geest heeft hem dingen in zijn
leven laten zien, die bewijzen, dat God gelijk heeft, en hij wordt verbroken.
Niet alleen rechtvaardigt hij God in alles wat hij zegt, maar ongetwijfeld ook
in al de kastijdingen, die God hem heeft doen ondergaan. Nehemia’s gebed had
heel goed het zijne kunnen zijn: “Maar Gij hebt het recht aan Uw zijde in alles
wat ons overkomen is, want Gij hebt trouw betoond doch wij hebben goddeloos
gehandeld” (Neh. 9:33).
Dit is
altijd het karakter van een ware belijdenis van zonde, namelijk ware
verbrokenheid. Het is de erkenning, dat mijn zonde niet maar een fout is, een
struikeling, iets dat buiten mijn hart omgaat (“dat is werkelijk niets voor mij
om zo iets te denken of te doen”), maar dat het iets is, dat het werkelijke
“ik” aan het licht brengt; dat mij openbaar maakt als het trotse, verdorven,
onreine wezen, dat God zegt, dat ik ben; dat het werkelijk mijn geaardheid is
om zoiets te denken en te doen. In deze bewoordingen beleed David zijn zonde,
toen hij bad: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw
ogen; opdat Gij rechtvaardig blijkt in Uw uitspraak, zuiver in Uw gericht” (Ps.
51:6).
Laten
we er dus niet voor terugschrikken zo’n belijdenis af te leggen, wanneer God
ons er van overtuigt, dat het moet, door te denken, dat het de eer van Jezus
zou schaden. Juist het omgekeerde is waar, want door zulk een belijdenis wordt
God verheerlijkt, want we verklaren, dat Hij gelijk heeft. Hieruit volgt voor
ons een nieuwe ervaring van overwinning in Christus, want het zegt het weer
opnieuw, dat “in mij (dat is in mijn vlees) geen goed woont” (Rom. 7:18), en
het brengt ons ertoe niet langer te proberen ons onverbeterlijke eigen ik tot
een staat van heiligheid te vormen maar om Jezus aan te nemen als onze
heiligheid en Zijn leven als ons leven.
Maar de
tollenaar deed nog iets meer dan God rechtvaardigen. Hij wees naar het
slachtoffer op het altaar en vond daardoor vrede met God en reiniging van
zonde. Dat blijkt uit de letterlijke betekenis van de woorden, die hij uitsprak:
“God, wees mij, zondaar, genadig”. Deze woorden betekenen in ‘t Grieks
letterlijk: “God, word verzoend ten opzichte van mij, de zondaar.” Een Jood
wist, dat de enige wijze, waarop hij met God verzoend kon worden, was door
middel van een slachtoffer, en naar alle waarschijnlijkheid werd er juist op
datzelfde uur een lam geslacht voor het dagelijks brandoffer op het altaar in
de tempel.
Met ons
is het net zo. Nooit komt iemand tot deze toestand van verbrokenheid, of God
toont hem het Goddelijk Lam op het kruis van Golgotha, dat zijn zonde wegneemt
door het vergieten van Zijn bloed. God, die van te voren zegt, wat we zijn,
treft van te voren voorziening voor onze zonde. Jezus was het Lam vóór
de grondlegging der wereld voorgekend. In Hem, die mijn zonden in zachtmoedigheid
droeg, werden ze weggedaan. En wanneer ik die zonden in verbrokenheid belijd en
mijn vertrouwen in het bloed stel, word ik er van gereinigd. Dan daalt de vrede
met God in mijn hart, de gemeenschap met God wordt onmiddellijk hersteld en ik
wandel met Hem in witte klederen.
Deze
eenvoudige wijze om God te willen rechtvaardigen en de reinigende kracht van
het bloed te zien, brengt als nooit te voren een nauwe wandel met Jezus en een
voortdurend met Hem verkeren in het Heilige der heiligen binnen ons bereik.
Naarmate
wij met Hem in het licht wandelen, zal Hij ons telkens het begin tonen van die
dingen, die, als we ze niet tijdig tegengaan, Hem zullen bedroeven en het
toestromen van Zijn leven in ons belemmeren ‑ dingen, die de uitdrukking
zijn van het oude hoogmoedige ik, hetgeen God alleen maar kan veroordelen.
In geen
enkel opzicht moeten we onze onschuld betuigen omtrent de dingen, die Hij ons
laat zien. Steeds moeten we bereid zijn Hem te rechtvaardigen en te zeggen: “U
hebt gelijk, Heer; dat laat nu precies zien, wat ik ben”, en we moeten dan ook
zoals we zijn, ons door Hem laten reinigen.
Wanneer
we dat doen, zullen we ondervinden, dat Zijn kostbaar bloed ons voortdurend
van de zonde reinigt en dat “de stroom steeds bij de bron gezond wordt
gemaakt”, en dat Jezus ons voortdurend met Zijn Heilige Geest kan vervullen.
Dit
vraagt van ons, dat we mensen met “een nederige en verslagen geest’ zijn, dat
wil zeggen: mensen, die bereid zijn ook op de kleinste dingen gewezen te worden.
Maar dit zijn dan ook degenen, waarvan God zegt, dat ze met Hem wonen “in den
hoge en in het heilige” (Jes. 57:15) en die een voortdurende opwekking ervaren.
We
staan dus voor deze keuze: onze onschuld betuigen en zonder zegen, met een
dorstige ziel, en buiten Gods gemeenschap naar huis gaan; of God
rechtvaardigen en ingaan in de vrede, gemeenschap en overwinning, die ons deel
zijn door het bloed van Jezus.
Naar de pagina over
opwekking en verdieping in het geestelijk leven